De fiscale aanpak van leegstand: schijnwoningtaks als effectief stuurinstrument of lege huls?
Driemaal is scheepsrecht. Nadat twee moties over invoering van een heffing op leegstand zijn verworpen,1 is bij de behandeling van de Fiscale verzamelwet 2026 uiteindelijk een (gewijzigd) amendement aangenomen dat gemeenten de bevoegdheid geeft een belasting voor langdurig leegstaande woningen in te voeren.2 Zo krijgt een gemeentelijke ‘schijnwoningtaks’ onder de naam leegstandsbelasting een juridische basis in de Gemeentewet.3 Hiermee is leegstand niet langer alleen een ruimtelijk of volkshuisvestelijk probleem, maar ook een fiscaal vraagstuk. Uit de toelichting op het amendement volgt dat de maatregel moet bijdragen aan het verminderen van het woningtekort door, naast nieuwbouw, de bestaande voorraad beter te benutten. In die toelichting wordt gewezen op het grote aantal leegstaande woningen in Nederland, waarvan een aanzienlijk deel langer dan een jaar leegstaat. Volgens de indieners van het amendement is het lastig uit te leggen dat gemeenten geen financiële prikkel hebben om deze langdurige leegstand aan te pakken, terwijl veel mensen grote moeite hebben een woning te vinden. Daarmee wordt de leegstandsbelasting nadrukkelijk gepositioneerd als instrument om gedrag van eigenaren te sturen, en niet slechts als budgettair middel. Volgens de toelichting is mede vanwege de preventieve werking de verwachting dat de netto-opbrengsten van door gemeenten ingevoerde leegstandsbelasting zeer beperkt zullen zijn. De vraag is of deze nieuwe fiscale bevoegdheid meer is dan een op het oog aantrekkelijk, maar in de praktijk beperkt stuurinstrument.
[....]